|
Door: Ronald v/d Molen "Mensen zoeken tegenwoordig niet naar antwoorden, maar naar voorbeelden!"
Beng! Een pittige uitspraak die mij er een paar jaar geleden toe zette om opnieuw het leven van Jezus en later dat van de apostelen te bestuderen. En dan met name de manier hoe zij hun discipelen trainden. Ik ben nog lang niet klaar met deze studie en het in de praktijk brengen van de lessen die ik heb geleerd. Om eerlijk te zijn bekruipt me regelmatig de gedachte dat ik pas ben begonnen. Maar één ding staat voor mij vast. Veel van de kunst van het coachen lijkt in de kerken verloren te zijn gegaan.
Persoonlijk ben ik enkele jaren op zoek geweest naar een coach. Mentoren die me met raad en daad bij wilden staan en die ik kon bellen voor een goed gesprek of advies bleken er genoeg. Maar veel verder dan dat kwamen de geestelijke leiders die ik ontmoette niet. Van een echte coachingsrelatie waarbij iemand tijd en moeite nam mij een spiegel voor te houden en het beste in mij naar boven te halen, was geen sprake. Dat ik momenteel gecoached word door een directeur van een seculier trainingsbedrijf die christen is lijkt me tekenend.
In dit artikel worden de woorden coachen en discipelen door elkaar gebruikt. Het woord discipel betekent ‘leerling’ en iemand discipelen is dus: “iemand tot een leerling maken”. Oftewel: iemand trainen voor een bepaald werk. Het woord coach betekent letterlijk ‘trainer’. Een goede definitie van coaching is: “Jezelf volstrekt kunnen committeren aan het succes van de ander”. Maar coaching is ook de kunst anderen te begeleiden bij de ontdekkingsreis om het maximale uit zichzelf te halen. Daarbij hoort A) het wegnemen van frustraties om tot leren te komen. B) Er voor zorgen dat gewenst gedrag wordt gestimuleerd. C) Harmonie brengen in de ambities van het individu en de gemeente (of organisatie). Het doel van coaching is de groei van de mens enerzijds in talenten, zelfverantwoordelijkheid en Gods perspectief op je leven en anderzijds in groei van de resultaten (in prestatie, kwaliteit en effectiviteit).
Een meer bijbelse omschrijving van een coachingsrelatie vinden we in de brief van Paulus aan Timoteüs: 1Tim 1:18-19. In vers 18 worden de taken beschreven die bij de coach horen: - Timoteüs, mijn kind (het opbouwen van een hechte relatie waarin de discipel gekend wordt)
- ik vertrouw je (je vertrouwen in hem stellen, steeds weer opnieuw)
- deze opdracht toe (het geven van opdrachten en het helpen uitvoeren van zijn levensopdracht)
- overeenkomstig de profetische woorden die vroeger over je zijn uitgesproken (samen ontdekken wat Gods plan is voor het leven van je discipel).
In vers 19 staat er wat je mag verwachten van degene die gecoached wordt: - Met geloof (de discipel moet zijn vertrouwen op God stellen)
- en een goed geweten (de discipel moet eerlijk zijn en integer)
- de goede strijd voeren (de discipel moet bereid zijn om hard te werken en pro-actief te zijn (zie Spreuken 10:26).
Jezus Christus was en is de beste coach die ooit heeft geleefd. In een periode van ongeveer 3 jaar trainde hij twaalf mannen op unieke wijze. Zij hebben uiteindelijk Zijn werk voortgezet en de toenmalige wereld volledig op zijn kop gezet. In dit eerste deel van een serie over coaching ga ik in op een aantal principes die we uit het leven van Jezus kunnen leren.
1) Jezus richtte zich op een kleine groep eenvoudige en ongeletterde mannen
“Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.” (Handelingen 4:13)
Het eerste wat mij opvalt bij het bestuderen van Jezus’ leven is dat hij zich richtte op een kleine groep mensen – twaalf om precies te zijn. Alhoewel Jezus voor een gigantische klus stond, het bouwen van een Koninkrijk dat uiteindelijk honderden miljoenen mensen zou bevatten, investeerde hij Zijn leven voornamelijk in een twaalftal mannen. Met deze groep bracht Hij het grootste deel van zijn tijd door. En aan hen vertrouwde Hij uiteindelijk de Grote Opdracht toe. Blijkbaar is het beter veel te doen met weinig discipelen, dan weinig te doen met veel.
En er is nog iets dat opvalt. De discipelen waren eenvoudige mannen. In het bovenstaande bijbelgedeelte lezen we dat de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes de verbazing opwekte van de leden van de Raad. Want het waren eenvoudige en ongeletterde mensen. Blijkbaar hechtte onze Heer meer waarde aan de bereidheid om te volgen, te leren en te gehoorzamen, dan aan theologische opleiding en intellectuele vermogens.
En dit vinden wij zo moeilijk! Geschrokken van de enorme taak die voor ons ligt proberen we vaak een soort ‘geestelijke fabriek’ te bouwen die honderden discipelen moet gaan produceren. De resultaten vallen vaak enorm tegen. Een hele verzameling mensen die zich volgelingen van Jezus noemen, maar die geestelijk gezien onderontwikkeld zijn en nog worstelen met hun verleden. Mensen met enorm veel kennis over Gods Woord in hun hoofd, terwijl hun hart vol nood is en ze niet hebben geleerd hoe ze met hun Heer mogen wandelen.
Ik kom regelmatig mensen tegen die verschillende trainingsscholen, cursussen en opleidingen hebben gevolgd op het christelijk erf. Met diploma’s en certificaten op zak zijn ze in de ogen van de georganiseerde kerk goed uitgerust en gekwalificeerd. Maar ze hebben geen idee waar ze naartoe moeten gaan, wat ze moeten doen, en hoe ze het moeten doen. Niemand die ooit de moeite heeft genomen om tijd in hen te investeren. Om een hechte relatie met hen op te bouwen, vertrouwen in hen te stellen en hen te helpen om hun levensopdracht te ontdekken en uit te voeren.
2. Jezus koos zijn discipelen al biddend
“En het geschiedde in die dagen, dat Hij naar het gebergte ging om te bidden, en Hij bracht de nacht door in het gebed tot God. En toen het dag geworden was, riep Hij zijn discipelen tot Zich en koos er twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde.” (Lucas 6:12-13) Jezus koos alleen die mensen, waarvan Hij wist dat God ze naar Hem had geleid. Hij koos de mensen die Hij in gebed al had ‘gezien’ omdat hij wist dat Hij niks kon doen tenzij Hij het de Vader had zien doen (Joh. 5:19). Tegenwoordig besteden we vaak meer tijd aan modellen en strategieën, dan aan het bidden voor mensen in wie we kunnen investeren.
We zijn gericht op de methoden en het behalen van succes. Jezus was gericht op Zijn Vader in de hemel en op de mensen die Hem nodig hadden. Wat een verschil! Wij besteden onze tijd al plannend en denkend over strategieën. Jezus bracht Zijn tijd door in de tegenwoordigheid van Zijn Vader en de mensen die Hij bediende. Zijn gehoorzaamheid aan de Vader was de belangrijkste reden voor zijn succes op het gebied van coaching. En voor ons werkt het niet anders. Als wij willen uitblinken in het trainen van mensen, dan moet onze bediening ontstaan vanuit radicale gehoorzaamheid aan de levende God.
Jezus bad niet alleen zelf, maar Hij onderwees ook zijn discipelen hoe ze moesten bidden. Zij leerden op hun beurt om in voortdurende gemeenschap met God te staan. Ze leerden God te vertrouwen en op hem te steunen in alle situaties. Ze leerden te spreken met God, hun diepste vragen en worstelingen met Hem te delen om vervolgens zijn genezende Woord te ontvangen. Ze leerden op te kijken naar God voor de voorziening van al hun noden, voor de antwoorden op al hun vragen. Ze leerden in Zijn nabijheid te leven. Dit is één van de eerste verantwoordelijkheden van iemand die anderen tpt discipelschap brengt: hij moet ze leiden naar een diepere relatie met God.
Er zijn tegenwoordig enorm veel cursussen en boeken over gebed, maar wij moeten de mensen die we trainen meer geven. We moeten hen leren om tijd door te brengen in Gods Tegenwoordigheid, te leren luisteren naar Zijn stem, met Hem te wandelen. De discipelen van Jezus leerden dit op hun beurt weer aan hun leerlingen. De apostel Johannes vertelt ons zelfs dat hij zijn boodschap eigenlijk maar om één reden deelt: namelijk om mensen in de ervaring van gemeenschap met God te brengen. (1 Joh. 1:3)
3. Jezus riep hen allereerst om 'met Hem' te zijn.
“En Hij ging de berg op en riep tot Zich, wie Hij zelf wilde, en zij kwamen tot Hem. En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken, en om macht te hebben boze geesten uit te drijven.” (Marcus 3:13-15)
Verbazingwekkend dat Jezus zijn leerlingen in de eerste plaast aanstelde om ‘met Hem te zijn’. Anders gezegd, de twaalf konden van dichtbij de relatie van de Zoon met de Vader beleven. Zij konden Zijn omgang met, Zijn liefde voor en Zijn gehoorzaamheid aan de Vader observeren. Ze leefden met Jezus, wandelden met hem, spraken met Hem, aten met Hem, rustten met Hem en zagen Hem in elke situatie. Zij zagen hoe Hij leefde, hoe Hij reageerde, hoe Hij omging met goede mensen en hoe Hij omging met slechte mensen.
Zij zagen hoe Hij bad tot Zijn Vader en hoe Hij leefde en genas door de Geest die in Hem woonde. Zij zagen demonen uitdrijven, menigten voeden en doden opwekken. Zij zagen hem in overwinning, maar ze ze zagen hem ook in de (ogenschijnlijke) nederlaag van Zijn afwijzing en dood aan het kruis. Zij zagen Hem huilen over Jeruzalem; zij zagen Zijn pijn hebben over de huichelarij binnen Zijn volk. Zij zagen Hem worstelen met het tekort aan arbeiders voor de oogst. Zij zagen hoe Hij de verkeerde religieuze tradities van eigengerechtige mensen ontmaskerde; zij zagen Hem ook de reinheid en het geloof van de verbrokenen erkennen. Kortom, de twaalf zagen hoe een mens was bedoeld om te leven in de kracht van de Heilige Geest. Ze leefden voor een periode van ongeveer drie jaar in de Tegenwoordigheid van de Zoon van God.
Wat dit betreft is er enorm verschil tussen de manier hoe Jezus zijn discipelen trainde en de hedendaagse datatransfer, een manier van onderwijzen waarbij de informatie op steriele wijze van de één naar de ander wordt overgebracht. Jezus gaf niet alleen info door, maar vormde zijn volgelingen die 'met Hem' waren. Hij deed dat niet op een afstand. Hij deed het van dichtbij. Hij deed het persoonlijk. Hij deed het goed.
4. Jezus zag hun potentie en haalde het beste in hen naar boven
“Hij (Andreas) leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus.” (Joh. 1:42).
De vierde les die we van Jezus kunnen leren is de manier hoe Hij zijn leerlingen zag. Al bij de eerste ontmoeting zag Jezus de potentie van Petrus. Hij zag in hem de rots waarop Hij Zijn gemeente kon bouwen. Hij zag wie Petrus kon zijn en dat was de basis van Zijn omgang met deze eenvoudige visser. Hij zag Gods plan met het leven van Petrus en besloot om hem te dienen zodat Petrus hierin succesvol zou worden. Hij schroomde daarbij niet om Petrus zowel prachtige complimenten pijnlijke kritiek te geven (Matteüs 16:13-28). En zo trainde Jezus al zijn discipelen. Waaruit bestond deze training? Het was niet wat men normaliter zou verwachten.
In tegenstelling tot de hedendaagse manier om mensen voor te bereiden op “de bediening”, hebben de twaalf heel weinig geestelijke dienst verricht terwijl Jezus op aarde was. Een kleine zending van een paar weken daargelaten, hielden ze zich vooral met praktische taken bezig. Zoals het uitdelen van voedsel aan hongerige scharen, het regelen van logies tijdens hun rondreizende bediening, het dopen van nieuwe bekeerlingen en het bereiden van voedsel tijdens hun reizen.
Misschien wel de belangrijkste factor in hun training was het feit dat ze niet alleen met Jezus optrokken, maar ook met elkaar. Hun vleselijke begeerten werden openbaar als ze met elkaar in botsing kwamen. De schaduwkanten van hun sterke persoonlijkheden werden voor de Heer blootgelegd toen de twaalf elkaar bestookten over wie bijvoorbeeld de belangrijkste was (Matteüs 20:20-28). Het was in deze periode van een intens, gedeeld leven met Jezus Christus dat de twaalf getest en gebroken werden. Het was in deze context dat ze onbetaalbare lessen kregen in liefde, verdraagzaamheid, geduld, nederigheid, vergevensgezindheid en bewogenheid. En deze ervaringen en lessen maakten hen uiteindelijk geschikt in de handen van hun Meester.
5. Jezus zond hen uit om anderen te leren wat Hij hen had geleerd
“Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.” (Matteüs 28:19).
Nadat Jezus zijn discipelen drie jaar had getraind en zijn leven letterlijk met hen had gedeeld, zond Hij hen uit om aan anderen te leren wat Hij hen had geleerd. In de periode dat Jezus hun coachte hadden zij met Hem en elkaar leren omgaan in informele settings. Ze zaten aan Zijn voeten en genoten van het onderwijs dat Hij gaf, in huizen, aan de kust, langs stoffige wegen, op de top van bergen en rond kampvuren. Ze luisterden naar Zijn verhalen, stelden Hem vragen en gaven antwoord op Zijn vragen. Ze deelden hun bezittingen met elkaar en bespraken hetgeen ze hadden meegemaakt. Ze baden samen en luisteren naar Gods stem. Ze gingen met elkaar aan tafel, braken het brood en dronken wijn.
Het is interessant te zien dat deze activiteiten de hoofdeigenschappen vormden van de vroege gemeente, die een paar jaar later geboren zou worden (Hand. 2:41-47). De primitieve eenvoud waarvan de discipelen samen met Christus genoten, vormde de basis van de gemeente. Het was een voorafschaduwing van wat komen zou, de mensheid die omgang krijgt met het goddelijke.
En zo zetten de discipelen van Jezus het werk van hun Heer voort en coachten zij op hun beurt de mensen die aan hen werden toevertrouwd. Dezelfde opdracht om leerlingen te maken en hen alles te leren wat Jezus heeft bevolen is ons ook ten deel gevallen. Een geweldige mogelijkheid om te investeren in een Koninkrijk dat nooit voorbij gaat. Maar ook een enorme verantwoordelijkheid om het zo te doen dat het in overeenstemming is met wat Jezus ons leerde.
Ik hoop dat dit artikel u heeft geprikkeld om u (opnieuw) te gaan verdiepen in de oude ambacht van het coachen. En terug te winnen wat verloren is gegaan, zodat we samen de zendingsopdracht van Jezus naar behoren kunnen uitvoeren. Het gaat tenslotte om Zijn Koninkrijk!
|