|
donderdag 06 december 2007 |
Kerkverbanden moeten landelijk beleid ontwikkelen om pioniers bij gemeentestichting te steunen en op te leiden. Het is tijd voor een krachtige impuls. Gemeentestichting is in sneltreintempo doorgedrongen tot de kerkelijke agenda’s.
Nog maar een jaar of vijf
geleden had vrijwel niemand het erover, althans in de traditionele
kerken. Maar nu gonst het overal: nieuwe kerken worden geplant,
kerkelijke regelingen aangepast en theologiestudenten gaan nadenken
over de mogelijkheid om pionier te worden.
Kerkplanting sloeg het eerst aan bij de kleinere kerken, maar
sinds kort doet ook de Protestantse Kerk in Nederland mee. Vorige
maand, tijdens een studiedag hierover, ontmoetten beleidsmakers in de
PKN actieve gemeentestichters. In een groot en pluriform
kerkgenootschap als de PKN gaan dingen meestal wat langzamer, maar het
potentieel is hier groot. Alles wijst erop dat kerkplanting ook in de
nabije toekomst een belangrijk onderdeel zal zijn van de missionaire
agenda van Nederlandse kerkgenootschappen.
Tegenwoordig gaat het zó vaak over kerkplanting, ook in CV•Koers, dat
de gemiddelde lezer misschien denkt dat het wel wat minder kan. Krijgt
deze toch marginale praktijk niet overmatig veel aandacht? Ik kan me
goed voorstellen dat die gedachte leeft.
Maar zeggen dat kerkplanting belangrijk is, betekent niet dat de
‘gewone’ gemeenten ineens niet meer belangrijk zijn. Gemeenten die
jaren en soms eeuwen bestaan én pas gestichte gemeenten vormen samen
het lichaam van de kerk. Stabiliteit en vernieuwing zijn allebei nodig.
Ik ben ervan overtuigd dat de toekomst van de kerk in Nederland mede
bepaald wordt door een wederzijdse erkenning tussen bestaande en nieuwe
kerkvormen. De missie van de kerk is gediend met een goede samenwerking
tussen pioniersgemeenten en traditionele gemeenten.
De snelheid waarmee de praktijk van kerkplanting zich heeft gevestigd,
heeft ook gezorgd voor knelpunten. Het belangrijkste knelpunt is wel
het groeiende tekort aan geschikte pioniers: mensen die kansen zien
waar anderen alleen bedreigingen zien. Zoals die voorganger die zei,
toen hij hoorde dat de PKN de komende jaren misschien wel tachtig
procent van haar kerkgebouwen gaat afstoten: ,,Geweldig! Wat een
kansen, nu al dat geld vrijkomt.’’ Misschien geen fijnzinnige
opmerking, maar wel typerend voor een pionier.
Gemeentestichting is nog altijd een marginale en kwetsbare praktijk,
ondanks alle aandacht. Wil deze praktijk zich bestendigen, dan is nu de
tijd rijp voor een krachtige impuls! Kerkverbanden moeten – net als in
Engeland gebeurt – landelijk beleid ontwikkelen over ‘witte plekken’ en
het vrijmaken van fondsen voor zending in Nederland. Theologische
opleidingen moeten zich inspannen om ondernemende types aan te trekken
en hun geschikt praktisch onderwijs aan te bieden. Het is heel
begrijpelijk dat de meeste opleidingen daarop nu nog niet zijn
ingesteld. Zoiets gebeurt niet in een paar jaar. Maar heel lang mag het
niet meer duren.
Stefan Paas is missionair opbouwwerker voor de CGK Amsterdam en lector gemeenteopbouw aan Christelijke Hogeschool Ede.
Door: Stefan Paas, bron: CV-koers.
|