|
Nederland is weer een zendingsland geworden. Daardoor komt ook gemeentestichting weer in beeld. Dit typische zendingsinstrument is zo oud als de kerk is, maar wordt momenteel herontdekt door diverse christelijke gemeenten in Nederland. In dit artikel zetten wij een aantal principes rond gemeentestichting op een rij. We hopen daarmee de bezinning op gemeentestichting te dienen en de genomen initiatieven een impuls te geven.
Wat is gemeentestichting?
Gemeentestichting omschrijven wij als: de vermenigvuldiging van een christelijke gemeente door de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus in woord en daad, waardoor niet-christenen (a) tot geloof en bekering worden gebracht, (b) in een nieuwe gemeente worden verzameld en (c) in die nieuwe gemeente worden toegerust om ten bate van de komst van Gods Koninkrijk de samenleving te dienen. In deze omschrijving valt in ieder geval het volgende op:
1. Gemeentestichting richt zich op niet-christenen. De aloude ‘preekplaats’, waarbij gemeenteleden die op afstand van het kerkgebouw wonen in hun eigen woonplaats ‘voor zichzelf beginnen’, is in dit artikel niet in beeld. Met ‘gemeentestichting’ bedoelen wij altijd gemeentestichting vanuit een missionair perspectief.
2. Gemeentestichting is vermenigvuldiging. Waar ‘evangelisatiewerk’ zich richt op groeien door het toevoegen van nieuwe christenen aan een bestaande gemeente, is gemeentestichting ‘zendingswerk’ en richt het zich als zodanig op vermenigvuldigen door het planten van nieuwe gemeenten.
3. Gemeentestichting loopt onder de zegen van de Here uit op een nieuwe gemeente die ten bate van de komst van Gods koninkrijk de samenleving dient. Dit impliceert dat gemeentestichting een voortgaand proces is. De nieuwe gemeente zal zich al spoedig verder willen vermenigvuldigen.
Waarom gemeentestichting?
Er zijn verschillende goede redenen om gemeentestichting zoals hierboven omschreven, te zien als dé manier om zending te bedrijven in Nederland. We noemen er vier:
1. Gemeentestichting is een onmisbaar onderdeel van de bijbelse manier om zending te bedrijven. In de zendingsopdracht die Jezus aan zijn leerlingen gaf (Matth. 28:16-19), lezen we dat Hij hun beval om te dopen, dat is: in te lijven in de christelijke gemeente. Jezus wilde dus niet alleen dat de apostelen het Evangelie naar de mensen brachten; Hij wilde ook dat zij die nieuwe gelovigen verzamelden in gemeenten. Uit het Nieuwe Testament weten we dat de apostelen erop uit trokken en inderdaad op tal van plaatsen nieuwe gemeenten stichtten. Dit heeft zich in de kerkgeschiedenis voortgezet. Al gemeentestichtend heeft het christendom zich over de wereld verspreid. Zo is in de 7e eeuw het christendom ook in Nederland gekomen. Tot en met vandaag geldt wereldwijd dat gemeentestichting typisch zendingswerk is. Nu Nederland weer vanuit een zendingsperspectief moet worden bekeken, ligt gemeentestichting (weer) voor de hand.
2. Een levend organisme groeit en vermenigvuldigt zich. Iedere plaatselijke gemeente heeft een natuurlijke levensloop. Kerkgangers gaan er soms stilzwijgend vanuit dat ‘hun’ gemeente het eeuwige leven heeft, maar dat is niet zo. Een plaatselijke gemeente bestaat maximaal een paar honderd jaar, maar dat is in feite al erg lang. Veel van de gemeenten die in het Nieuwe Testament worden genoemd, bestonden een aantal eeuwen later al niet meer. Ook vandaag worden gemeenten opgeheven. Is dat erg? Voor de betrokkenen is het natuurlijk heel verdrietig. Aan de andere kant, als er intussen ook tal van nieuwe gemeenten gesticht worden… De geschiedenis leert dat gemeenten op een bepaalde dag ‘sterven’, net als mensen. Maar net als mensen kunnen ook gemeenten zorgen voor nageslacht. Dat is een natuurlijk proces. Een gemeente kan ‘dochtergemeentes’ krijgen en die kunnen op hun beurt weer ‘kinderen’ krijgen. Zo zien we dat sommige moederkerken hun poorten moeten sluiten, maar dat elders uit deze gemeente verschillende dochtergemeenten zijn ontstaan die de lamp van het Evangelie hoog houden. Gemeentestichting hoort eenvoudig bij het ‘normale’ patroon van kerk-zijn.
3. Nieuwe gemeenten zijn vaak beter in staat niet-christenen te bereiken. Uit onderzoeken blijkt dat jonge gemeenten in het algemeen meer niet-kerkelijken weten te trekken dan oude gemeenten. Dit heeft te maken met de mate van flexibiliteit: in jonge gemeenten ligt nog niet zoveel vast. Er is nog geen jarenlange gewoontevorming. Er is ook minder besef van ‘oudgedienden’ met de ‘oudste rechten’ en ‘nieuwkomers’ die hun plaats nog moeten verdienen. Veel gemeenten die al langer bestaan, raken steeds meer gericht op ‘bewaren’ en steeds minder op ‘vermeerderen’ van Gods kerk. De pastorale energie wordt steeds meer opgeslokt door de bestaande leden en kan steeds minder worden besteed aan het trekken van nieuwe mensen. Net gestichte gemeenten daarentegen moeten zich wel richten op niet-christenen om te groeien. Deze niet-christenen hebben doorgaans veel relaties onder andere niet-christenen, zodat, als zij tot geloof komen, het ‘groeipotentieel’ vanuit de wereld voor dergelijke gemeenten veel hoger ligt dan bij gevestigde gemeenten.
4. Nieuwe gemeenten zijn vaak beter in staat specifieke groepen niet-christenen te bereiken. Wanneer een Nederlandse zendeling naar Siberië wordt uitgezonden, probeert hij daar over te gaan tot gemeentestichting. Voor de nieuwe gelovigen in Siberië is de afstand tot de bestaande gemeente in Nederland immers veel te groot is om bij betrokken te zijn. Op een vergelijkbare manier bestaan ook in Nederland zelf ‘afstanden’. Alleen al ten aanzien van de taal, zowel letterlijk als figuurlijk, is er een enorme afstand voor veel niet-christenen in Nederland tot de bestaande christelijke gemeenschappen. Welke Nederlandstalige christelijke gemeente in Nederland is echt in staat om met het evangelie ingang te krijgen in (de oudere) Turkse en Marokkaanse moslimgemeenschappen? Welke christelijke gemeente spreekt werkelijk de ‘taal’ van de honderdduizenden yuppen in de steden en weet hen te bereiken met een relevante wijze van kerk-zijn? Er zijn (veel) nieuwe gemeenten in Nederland nodig om specifieke groepen niet-christenen te bereiken.
En de bezwaren dan?
Het is onze ervaring dat ondanks bovenstaande argumenten, vanuit de kerken bezwaren rijzen ten aanzien van gemeentestichting. Op vier van deze bezwaren willen wij reageren:
1. Er zijn al zoveel kerken en er is meer dan voldoende ruimte in die kerken voor nieuwelingen; laat eerst die kerken maar eens vol worden voor we over gemeentestichting gaan spreken. Iemand die dit punt naar voren brengt, denkt bij ‘kerk’ aan een kerkgebouw. In zekere zin typeert dit het bezwaar. Immers, niet een gebouw is het belangrijkst, maar een gezond functionerende gemeente. De werkelijkheid leert dat veel al langer bestaande gemeenten beslist niet even goed nieuwelingen kunnen bereiken als een jonge en nieuwe gemeente dat kan. Daarom moeten we gemeentestichting wel degelijk overwegen. Maar we willen graag duidelijk zijn: wij voeren in dit artikel geen pleidooi om bestaande gemeenten af te schrijven! Er is een roeping voor iedere gemeente om niet-christenen tot Christus te leiden en hen op te nemen in de (bestaande) gemeente. Het missionaire functioneren van de gemeente is een lakmoesproef voor de zuiverheid van het gemeente-zijn. Maar daarnáást moet er zending worden bedreven in Nederland – als het tenminste waar is dat Nederland meer en meer zendingsland wordt. Evangelisatie en gemeentestichting: het is niet of-of, maar en-en.
2. Veel gemeenten gaan achteruit in ledental; een nieuwe gemeente zal misschien aantrekkingskracht hebben op de leden die nog zijn overgebleven en zal dus de krimp alleen maar versterken. Het is waar dat een nieuwe gemeente waarschijnlijk aantrekkingskracht zal hebben op leden van andere kerken. Dit kan een sfeer van concurrentie met zich meebrengen. De nieuwe gemeente moet zich hiervan bewust zijn en er in goede samenspraak met de bestaande gemeenten een weg voor vinden. Tegelijk moeten we niet vergeten dat gemeentestichting zich uitdrukkelijk richt op niet-christenen en dat een nieuwe gemeente beter in staat wordt geacht om niet-christenen te bereiken dan al langer bestaande gemeenten. Daardoor mogen we verwachten dat het totaal aantal mensen dat betrokken is bij een kerk, zal stijgen. Daarbij is het inderdaad denkbaar dat een bestaande gemeente actieve leden verliest, omdat die zich met de gaven die God hen gegeven heeft, graag laten inzetten voor gemeentestichting. Maar is dat erg? Waar het om gaat, is dat wordt gezocht naar de weg die het beste is voor (de voortgang van) het koninkrijk van God.
3. Gemeentestichting is iets voor de zending; de postchristelijke situatie in Nederland is heel anders dan de prechristelijke situatie ten tijde van Paulus en op diverse zendingsgebieden. Dit bezwaar stelt feitelijk de vraag of gemeentestichting niet te hoog gegrepen is. Hebben we geen verkeerde verwachtingen, wanneer we Nederland zien als zendingsland met nieuwe kansen? Natuurlijk moeten de mogelijkheden niet worden overschat en vanzelfsprekend moet niet van een methode op zichzelf heil worden verwacht. Het is voorstelbaar dat op ‘oude grond’ (plaatsen waar het evangelie al eens wortel heeft geschoten) niet dezelfde methoden van evangelisatie en zending kunnen worden gebruikt als op ‘nieuwe grond’ (plaatsen waar het evangelie nog niet eerder is geweest). Zending op ‘oude grond’ is waarschijnlijk moeilijker dan zending op ‘nieuwe grond’; mensen die leven op ‘oude grond’ hebben nogal eens een proces van verharding meegemaakt. Niettemin, de goede boodschap van Jezus Christus moet ook op ‘oude grond’ worden gebracht. Wanneer niet-christenen vervolgens door die genadige boodschap tot geloof in Jezus Christus komen, zullen zij moeten worden verzameld in een christelijke gemeente. Daarom ligt gemeentestichting ook op ‘oude grond’ voor de hand.
4. Het is al moeilijk genoeg om de bestaande gemeenten te handhaven omdat die het zwaar te verduren hebben; het is beter om die in moeilijkheden verkerende gemeenten te helpen dan om nog meer gemeenten te stichten. De kwestie die in dit bezwaar wordt aangevoerd, speelt op diverse plaatsen in Nederland. Terecht wordt in het bezwaar gesteld dat bestaande noodlijdende gemeenten niet zomaar aan hun lot mogen worden overgelaten. Niettemin ligt in het bezwaar een valse tegenstelling. Gemeentestichting sluit het helpen van gemeenten in nood namelijk niet uit. Het ene kan worden gedaan en het andere hoeft niet te worden nagelaten. De verwachting is dat gemeentestichting vrucht zal dragen, zowel in het bereiken van niet-christenen als in de vernieuwing van bestaande gemeenten. Er is een verschil in houding: gemeentestichting gaat uit van groeiverwachtingen, het helpen van in moeilijkheden verkerende gemeenten is een reactie op een dalende tendens; en de vraag is op grond waarvan een ommekeer in die tendens zou mogen worden verwacht. Juist in moeilijke situaties moet niet gesproken worden over ‘redden wat er nog te redden is’, maar zullen er initiatieven moeten worden ontplooid in het licht van de missionaire roeping van de gemeente van Christus.
Hoe gaat gemeentestichting in zijn werk?
Een proces van gemeentestichting is niet iets wat je zomaar oppakt. Het kost tijd, geld, aandacht en energie. En er is altijd een risico dat het niet lukt. Maar voor een proces dat in geloof en gebed wordt begonnen en met zorgvuldigheid en beleid wordt opgezet, mogen we toch ook zegen van God verwachten. De praktijk laat zien dat gemeentestichting een veelbelovend proces kan zijn. Hieronder willen we in het kort de verschillende fasen schetsen die thuishoren bij gemeentestichting:
1. De initiatiefnemer kan een plaatselijke kerk zijn (dat ligt voor de hand, wanneer het gebied waar de gemeente wordt gesticht dichtbij het ressort van die gemeente ligt), maar dat hoeft niet. Het kan ook een kerkgenootschap zijn of een zendingsorganisatie. Buiten de context van de kerken zijn er ook individuen of zogenaamde ‘apostolische teams’ die gemeenten stichten. Hier gaat het dan meestal om vrije gemeenten.
2. Deze initiatiefnemer onderkent dat ergens een missionaire nood is, waarvoor gemeentestichting in aanmerking komt. Die nood kan veel vormen aannemen. Een plaatselijke gemeente kan bijvoorbeeld regelmatig in aanraking komen met groepen niet-christenen die tot geloof komen, maar die de weg naar de kerk niet of moeizaam vinden. Een kerkverband kan de grote steden in Nederland als zendingsterrein bestempelen en gemeentestichting daar tot prioriteit maken. Een zendingsorganisatie kan zien dat een bepaalde groep mensen in Nederland (bijv. Marokkanen) slecht bereikt worden door de Nederlandse kerken. Een classis kan merken dat een bepaalde regio in de classis eigenlijk nauwelijks kerken kent die trouw zijn aan het Evangelie.
3. Er komt een periode op gang van gebed, studie en fondsenwerving. Na die periode wordt een definitief besluit genomen over de voortgang van het proces. Ook is er enig zicht ontstaan op de verschillende mogelijkheden om het proces voortgang te laten vinden, zonder dat er al een definitieve keus is gemaakt voor een bepaald model.
4. Er wordt een begin gemaakt met gemeentestichting. Dat kan verschillende vormen aannemen. Een bepaalde gemeente zou een groep gemeenteleden kunnen vragen om in hun omgeving een nieuwe (missionaire) gemeente te gaan vormen. De basis van die nieuwe gemeente zou gevonden kunnen worden in al functionerende (missionaire) kleine groepen. Een andere gemeente kan, al dan niet in samenwerking met zusterkerken, een ‘zendingsteam’ uitsturen naar een grote stad, met de opdracht om daar eerst onderzoek te gaan doen naar de leefomgeving en het geestelijk klimaat, om daarna met behulp van die gegevens over te gaan tot gemeentestichting. Weer een andere gemeente kan besluiten op een nieuwe locatie een ‘derde dienst’ te beleggen die speciaal afgestemd is op een bepaalde groep niet-christenen; deze dienst zou dan moeten aansluiten bij al bestaande relaties in die groep.
5. Bij dit alles is het goed aandacht te vragen voor de persoon van de gemeentestichter. In het algemeen is het belangrijk om minstens één persoon te hebben die veel tijd kan vrijmaken (dus het liefst iemand die betaald wordt) voor het hele proces en die ook de nieuwe gemeente zal leiden. Dit moet een ‘pionierstype’ zijn: iemand die heel hard kan en wil werken in omstandigheden die aanvankelijk waarschijnlijk weinig resultaat zullen opleveren. Het moet een persoon zijn die vooruit denkt en een zekere mate van ongeduld bezit. Het moet iemand zijn die een team kan enthousiasmeren en leiden, een persoon met liefde voor en visie op de doelgroep waarvoor of het gebied waarin de nieuwe gemeente moet komen. Het is zeker niet zo dat elke dominee dit kan. In sommige opleidingen in het buitenland worden dergelijke mensen op hun theologische opleiding geselecteerd, maar krijgen zij op sommige punten een aanvullende training voor gemeentestichting.
6. De uiteindelijke vorm (buitenkant) die de nieuwe gemeente aanneemt, kan erg verschillen van de moedergemeente. Het moet geen kloon zijn, maar een dochter van de moedergemeente! En hoewel een dochter veel vormen dankbaar zal aanvaarden van haar moeder, zal zij op bepaalde punten bewust een eigen weg gaan. Het is immers van cruciaal belang dat de nieuwe gemeente werkelijk gemeente is voor de plaats of de doelgroep waarvoor zij gesticht is. Daarom pleiten wij ten aanzien van de vorm van het gemeente-zijn voor veel creativiteit. Ten aanzien van de inhoud (binnenkant) van de nieuwe gemeente ligt het anders; die staat op dezelfde fundamenten als de moedergemeente. Belangrijk voor íedere gemeente is dat zij in trouw aan de Schrift en de belijdenis zo dicht mogelijk op de huid kruipt van hen die zij wil bereiken. We mogen ons hierin spiegelen aan de Here Jezus. Hij legde zijn heerlijkheid af om mens te worden, zoals wij. Hij bleef zichzelf, zonder zonde, maar nam ons vlees aan. In zijn naam en gedreven door zijn Geest zal zijn gemeente ingaan in de wereld: voor de Joden een Jood en voor de Grieken een Griek.
Conclusie
Gemeentestichting is al heel oud. Niettemin is het bijzonder actueel voor missionair kerk-zijn aan het begin van de 21e eeuw in Nederland. Wij bidden dat er veel nieuwe gemeenten zullen komen in de Nederlandse grote steden, in de Vinex-locaties en in andere plaatsen waar kerken slecht vertegenwoordigd en/of een te grote afstand hebben tot bepaalde bevolkingsgroepen. Want God is het waard dat velen in Nederland die nu geen christen zijn, zich zullen bekeren en Hem in geloof zullen dienen.
Door: Siebrand Wierda en Stefan Paas |